Voorwielaandrijving
De voorwielaandrijving is de aandrijving van een voertuig via de vooras. De aandrijving komt tot stand met een frontmotor en zorgt voor een bijzonder goede rijdynamiek. In 1898 werd in Wenen de eerste voorwielaandrijving ontwikkeld.
Bij de eerste modellen waren er nog aanzienlijke problemen met het gelijktijdig besturen en aandrijven van het voertuig. De eerste seriematig geproduceerde voertuigen met voorwielaandrijving kwamen uit huize DKW en werden door Audi, Sachsenring en Wartburg na het einde van de oorlog aangepast.
De voorwielaandrijving laat het voertuig gewoonlijk op de vooras ondersturen. Dit verschijnsel wordt nog versterkt bij acceleratie van het voertuig. Een gecontroleerde uitwijking met een voorwielaandrijving is bijna niet mogelijk. Om te voorkomen dat de wielen doorspinnen, zijn veel voertuigen uitgerust met tractiecontrole. Vooral bij motoren met veel vermogen wordt de tractie nadelig beïnvloed, met als gevolg dat de wielen snel doordraaien.
Bij trekgewicht achter de auto wordt dit effect nog een keer versterkt. Op gladde wegen ontstaat door het gewicht van de motoreenheid op de vooras een betere grip op de weg. De motoreenheid zelf wordt compact tussen de voorwielophanging, voetenruimte en stuurinrichting geplaatst. Het gebruik van verschillende constructies of een andere wielbasis in het voertuig is dankzij het ontwerp eenvoudig aan te passen.
Omdat de motoren bij een voorwielaandrijving dwars gemonteerd worden, kunnen er geen grote motoren gebruikt worden. De relatief kleine ruimte, vooral in de mini- en compactklasse, bemoeilijkt ook de reparatie en het onderhoud aan het voertuig. Het voorste gedeelte moet bij sterkere motoren langer gemaakt worden en kan dan, door een juiste opstelling van motor en transmissie, bijdragen tot een kleinere voorasbelasting en betere stuurkracht. Sommige modellen met voorwielaandrijving worden ook met vierwielaandrijving aangeboden.