Tractiecontrolesysteem - TCS
Het tractiecontrolesysteem (TCS) voorkomt dat de aangedreven wielen door blijven spinnen bij het wegrijden of bij het rijden op ondergrond met weinig grip, zoals zand of ijs.
Doorspinnende wielen kunnen geen voorwaartse en zijdelingse krachten genereren. Bij het wegrijden en gas geven op gladde ondergrond zal de auto daardoor gaan slippen.
Net zoals bij een antiblokkeersysteem (ABS) meten bij TCS speciale wielsensoren continu het aantal omwentelingen van de wielen en geven de waarde door aan een elektronisch controlesysteem. Is het aantal omwentelingen van een wiel groter dan dat van de andere wielen, dan neigt dit wiel door te spinnen. Het ronddraaiende wiel wordt doelgericht door de ABS-pomp afgeremd totdat alle wielen weer hetzelfde aantal omwentelingen hebben. Tegelijkertijd wordt met behulp van de motorelektronica het motorvermogen beperkt, zodat er geen grotere koppel op de wielen kan worden losgelaten. Het TCS werkt bij traditionele voertuigen met voor- of achterwielaandrijving net zo als bij auto’s met vierwielaandrijving.
Het tractiecontrolesysteem vertolkt de doorgaande ontwikkeling van ABS. Beide systemen en een aanvullende Yaw Rate System (giersensor) zijn de basis voor het elektronische stabiliteitsprogramma (ESP). Hiermee wordt een auto die zich beweegt rond zijn verticale as (slipt), door doelgericht remmen op de afzonderlijke wielen gestabiliseerd.
Tractiecontrolesystemen behoren tot de actieve veiligheidssystemen van een motorvoertuig en moeten ongelukken voorkomen.