Roetfilters
Roetfilters worden gebruikt om de roetdeeltjes die ontstaan bij de verbranding van dieselbrandstof te verminderen. Roetdeeltjes zijn namelijk niet alleen schadelijk voor het milieu, maar ook voor mensen. De eerste pogingen om het roet uit de dieseluitlaatgassen te filteren vonden al plaats tijdens de Eerste Wereldoorlog. De enorme emissiewolken van oorlogsschepen verraadden de positie aan de vijand. De experimenten van toen hadden echter weinig succes. Midden jaren 80 van de vorige eeuw werd een voertuig van Mercedes met roetfilters uitgerust. De levensduur van de filters was echter zeer kort, zodat men al na korte tijd het gebruik van de filter weer staakte. De echte doorbraak voor de roetfilter kwam in 2000. In dat jaar rustte de Franse autofabrikant Peugeot model 607 standaard uit met een werkende roetfilter.
Er zijn twee verschillende varianten van roetfilters. Een daarvan is de zogenaamde wall flow filter. Deze filter bestaat uit poreus materiaal. Het materiaal kan zowel keramisch als metaal zijn. De uitlaatgassen moeten daarbij door de poreuze wanden doordringen. Daardoor zetten de roetdeeltjes zich af op het oppervlak van de wand. Dit leidt ertoe dat na verloop van tijd een sterke tegendruk ontstaat. Dan is een herstel van de filter nodig. Dit geschiedt door ontsteking van de deeltjes. De deeltjes worden daardoor volledig omgezet in kooldioxide. Van het herstel van de filter merkt de bestuurder niets. Alles wordt geregeld door de stuurinrichting van de motor. Een wall flow filter kan de hoeveelheid roetdeeltjes verminderen met ongeveer 90%.
Een andere variant is de zogenaamde partikelkatalysator. Dit systeem bestaat uit dunne gewelfde staalfolie, waar de roetdeeltjes zich aan hechten. Bij een partikelkatalysator neemt de tegendruk niet toe, omdat hij zichzelf continu herstelt. Dit soort filter is bijzonder goed geschikt als na-uitrusting in een personenauto. Er zijn namelijk geen wijzigingen in de elektronica van het voertuig nodig en het complete systeem is heel compact.