Parkeerlicht
Het parkeerlicht heeft als functie auto’s die op een onverlichte plek stilstaan, voor andere verkeersdeelnemers zichtbaar te maken. Daarom is het parkeerlicht voor tweesporige voertuigen verplicht. De hoogte van de lampen voor het parkeerlicht mag tussen de 350 mm en de 1500 mm bedragen, vanaf de weg gemeten. De afstand tot de zijkanten van het voertuig mag maximaal 400 mm bedragen. Aan de voorkant moeten de lampen wit zijn, aan de achterkant rood. Over het algemeen zijn de gloeilampen voor het parkeerlicht geïntegreerd in de normale koplampen. Aan de achterkant worden de normale achterlichten daarvoor gebruikt.
Er zijn specifieke regels die aangeven wanneer en waar het parkeerlicht ingeschakeld moet worden. Binnen de bebouwde kom hoeven ze alleen te worden ingeschakeld op plekken waar geen straatverlichting is. In verlichte straten kunnen voertuigen ook zonder parkeerlicht worden geparkeerd. Het is altijd belangrijk om eraan te denken dat veel steden niet meer gedurende de hele nacht de verlichting aan laten, om energie te besparen. Bij sommige auto’s bestaat de mogelijkheid om het parkeerlicht alleen aan één kant van de auto in te schakelen. Dat is binnen de bebouwde kom ook toegestaan. Buiten de bebouwde kom moet altijd het complete parkeerlicht worden ingeschakeld. Het is ook aan te raden het parkeerlicht in te schakelen als je moet wachten voor een spoorwegovergang. Daardoor worden automobilisten aan de overkant niet onnodig verblind. Het is echter nooit toegestaan om met ingeschakeld parkeerlicht te rijden.