Motor
Er bestaan twee soorten verbrandingsmotoren: de benzinemotor en de dieselmotor. De werking is bij beide soorten nagenoeg gelijk. Het zijn zuigermotoren die door de verbranding van een mengsel van brandstof en lucht werk verrichten. Ze verschillen alleen maar van elkaar in de manier van verbranding.
De benzinemotor
Bij de benzinemotor wordt in een carburateur of een elektronisch injectiesysteem het mengsel van brandstof en lucht klaargemaakt. Door de neerwaartse beweging van de zuiger in de cilinders ontstaat onderdruk in het inlaatspruitstuk. Daardoor stroomt het mengsel via de inlaatklep in de verbrandingskamer van de cilinders. In de volgende takt (fase) van de motor maakt de zuiger een opwaartse beweging en verdicht het mengsel van brandstof en lucht in een verhouding van gemiddeld 8:1. Kort voordat de zuiger zijn hoogste positie, het bovenste dode punt, bereikt heeft, wordt het mengsel door een vonk van de bougie ontstoken. Door de hoge verbrandingsdruk in de cilinders wordt de zuiger in de derde takt weer naar onderen gedrukt. De kracht wordt daarbij via de drijfstang direct overgebracht op de krukas en omgezet in een roterende beweging. Omdat in deze fase de daadwerkelijke werking van de motor plaatsvindt, wordt deze takt ook wel werktakt genoemd. In de vierde takt wordt dan het uitlaatgas door de opwaartse beweging van de zuiger via de uitlaatklep in de uitlaat geperst.
De dieselmotor
Bij de dieselmotor wordt in de inlaattakt alleen lucht aangezogen. Deze wordt dan in de tweede takt, de zogenaamde compressietakt, erg sterk gecomprimeerd. De compressieverhouding bedraagt bij dieselmotoren gemiddeld 22:1. Door deze hoge compressie wordt de lucht erg heet. Daarbij worden temperaturen tot wel 600 graden bereikt. In deze hete lucht wordt dan kort voor het bovenste dode punt van de zuiger de dieselbrandstof door middel van een injectiesproeier in de verbrandingskamer geïnjecteerd. Daardoor ontsteekt het mengsel van diesel en lucht en leidt dit zodoende de werktakt in. De brandstof wordt met een zeer hoge druk van 200 tot 3000 bar, afhankelijk van de motoruitvoering, in de verbrandingskamer geïnjecteerd. Daardoor wordt een goede menging bereikt.
Oudere dieselmotoren hebben een zogenaamde voorkamerinjectie. Daarbij wordt de brandstof niet direct in de verbrandingskamer geïnjecteerd, maar in een kleine wervelkamer, die zich boven de verbrandingskamer bevindt. Daardoor mengt de brandstof zich beter met de lucht.
Bij motoren met directe injectie is een aanzienlijk hogere druk nodig om een zuivere verbranding te realiseren. Moderne dieselmotoren hebben daarom een pompsproeisysteem of een common-rail-injectie. Bij het pompsproeisysteem zit aan elke injectiesproeier een aparte injectiepomp. Daardoor kan bij zulke systemen met een injectiedruk van 2500 tot 3000 bar gewerkt worden. Bij de common-rail-injectie bevindt zich boven de cilinderkop een houder waarin de brandstof continu onder hoge druk gehouden wordt. De injectie gebeurt via zogenaamde injectoren. Deze worden elektronisch aangestuurd. Daardoor kan zowel het injectietijdstip als de injectiehoeveelheid heel nauwkeurig geregeld worden.
Andere motorcategorieën
Volledig onafhankelijk van het feit of het om een benzinemotor of een dieselmotor gaat, zijn motoren ook nog te onderscheiden in de soort opstelling van de cilinders. Zo is er de motor met cilinders in lijn, waarbij de cilinders allemaal in een rij zijn opgesteld. Dan is er nog de V-motor. Hierbij zijn twee rijen cilinders in een hoek (V-vorm) tegenover elkaar opgesteld. Daardoor is de motor niet meer zo lang en past hij beter in de motorruimte. Dit voordeel is natuurlijk pas relevant bij motoren met meer dan zes cilinders. Wat zeldzamer is de W-motor. Deze bestaat uit drie rijen cilinders, die allemaal in een bepaalde hoek (W-vorm) opgesteld zijn.
Een apart geval en ook niet veelvoorkomend is de rotatiemotor, die ook wel wankelmotor genoemd wordt. Bij een wankelmotor heeft de zuiger een driehoekige, afgeronde vorm. De zuiger roteert in een dubbelbochtige behuizing. Hij raakt daarbij continu de wand van de behuizing. Door zijn geometrie creëert hij bij de inlaatopening onderdruk, zodat het mengsel van brandstof en lucht kan binnendringen. Bij het verder draaien wordt het mengsel dan verdicht en door middel van de bougie ontstoken.