Dieselmotor
De dieselmotor werd uitgevonden in 1892 door Rudolf Diesel. De motor werkt volgens het principe van zelfontbranding. Dat houdt in dat er geen vonk nodig is om de brandstof te ontsteken. De lucht wordt in de zuiger gecomprimeerd. De compressie verhoogt de temperatuur van de lucht tot circa 700 - 900 graden Celsius. In deze warme lucht wordt de diesel brandstof ingespoten. Hierdoor ontsteekt het mengsel. Het ontbrandend mengsel zet uit in een cilinder en drukt zo de zuiger naar beneden. Dit is de arbeidsslag. Dan volgt de uitlaatslag. Vlak voor het einde van de arbeidsslag opent de uitlaatklep en worden de uitlaatgassen door de uitlaat naar buiten geleid.
Dieselmotoren kunnen verschillen van injectieprocedure. Oudere motoren maken gebruik van een zogenaamde indirecte principe. De brandstof wordt niet rechtstreeks geïnjecteerd in de verbrandingskamer, maar in een kleine verbrandingskamer boven de cilinder. Er vindt ontsteking plaats en de verbranding gebeurt in de verbrandingskamer. Moderne dieselmotoren hebben directe injectie. De brandstof wordt rechtstreeks geïnjecteerd in de verbrandingskamer. Hiervoor is een hogere inspuitdruk vereist. Moderne dieselmotoren werken met de pompverstuiver of common-rail. Bij het pompverstuiver systeem heeft iedere injector een eigen pomp. Dit zorgt voor een zeer hoge inspuitdruk tot 2000 bar. Bij het common-rail systeem is rond de cilinderkop een reservoir ontworpen waarin de diesel steeds aanwezig is onder een druk van ongeveer 1800 bar. De brandstof wordt constant via de gemeenschappelijke leiding (common-rail) naar alle injectoren aangevoerd. Deze worden elektronisch gestuurd en kunnen meerdere keren per cyclus openen en sluiten. Zo wordt de verbranding geoptimaliseerd.
Dieselmotoren zijn efficiënter dan benzinemotoren. Het brandstofverbruik is lager. De verbranding van diesel roetdeeltjes is schadelijk, maar dit kan worden verminderd tot maximaal 95% door het aanbrengen van roetfilters.