Carburateur
Een carburateur kan eigenlijk beter een mixer genoemd worden. Hierin wordt namelijk niets vergast; er wordt lucht met brandstof gemengd. Dit proces is erg belangrijk voor een goede werking van een benzinemotor. De kwaliteit van de voorbereiding van het mengsel is bepalend voor de efficiëntie van een motor.
Er zijn verschillende soorten carburateurs, maar de onderdelen en de werking zijn bijna altijd hetzelfde. Er bestaan valstroom-, dwarsstroom-, vlakstroom- en stijgstroomcarburateurs. Deze aanduidingen berusten op de stroomrichting van de inlaatlucht. Daarnaast bestaan er nog dubbele carburateurs, drievoudige en viervoudige carburateurs.
Elke carburateur heeft een vlotterkamer, waarin de brandstof zit. Door de onderdruk die de zuigers in de cilinders genereren door hun neerwaartse bewegingen, stroomt de inlaatlucht door de carburateur. Daarbij wordt de brandstof uit de vlotterkamer via een regelbare sproeier aangezogen en met de lucht gemengd. De hoeveelheid inlaatlucht is regelbaar met een gasklep. De gasklep wordt via een bowdenkabel of een stang met het gaspedaal bediend. De hoeveelheid brandstof wordt direct door de hoofdsproeier geregeld. De hoofdsproeier heeft een taps toelopende dwarsdoorsnede. Hierin bevindt zich een gasnaald die via een erg fijn wieltje verder naar binnen of buiten gedraaid kan worden. Daardoor wordt de vrije opening van de sproeier groter of kleiner.
Andere onderdelen van een carburateur zijn de drukstift en de choke. Met behulp van de drukstift kan een bijzonder rijk mengsel worden geproduceerd. Dit vergemakkelijkt een koude start van de motor. Met de choke wordt de gasklep gesloten. Er is nu maar een erg kleine opening voor de luchtstroom over. Het koudestartsysteem met de drukstift en de choke komt echter alleen nog voor in zeer oude carburateurs of in kleine motoren van tuinmachines. Nieuwere modellen hebben een automatische starter.