Aandrijfas
In het oorspronkelijke ontwerp van auto’s werd er weinig gebruik gemaakt van aandrijfassen. Slechts bij weinig modellen werd de motor op een andere plaats gezet dan waar de aandrijving was, bijvoorbeeld voorwielaandrijving in combinatie met een achterin geplaatste motor. In een dergelijk geval loopt er een aandrijfas van voor naar achter. Ook vierwielaangedreven auto’s hebben een aandrijfas over de lengte van het voertuig.
Ondanks dat achterwielaandrijving, zoals BMW of MG dat toepast, een goede wegligging oplevert is deze vorm van aandrijving niet meer hoofdregel. De meeste auto’s hebben tegenwoordig voorwielaandrijving.
Door middel van een zogenoemde kruiskoppeling kan de kracht op de aandrijfas zo worden overgebracht, dat de beide uiteinden zich niet precies op een lijn hoeft te bevinden. Het ene uiteinde kan – binnen bepaalde grenzen – afwijken van het verlengde van het andere uiteinde.een aandrijfas kan hierdoor flexibeler binnen het voertuig worden geplaatst.
Ook veranderingen in de afstand tussen de ene en de andere kant van de as kunnen worden opgevangen. De as kan schuivende delen hebben of een zogenaamde Hardy-schijf. Hierdoor worden de veranderingen in de lengte opgevangen, zelfs als dit maar enkele millimeters bedraagt
Aan beide uiteinden van de aandrijfas zit een kruiskoppeling, die 90 graden kunnen bewegen. De as bevind zich doorgaans in een behuizing, zodat deze niet vies wordt. Soms is er een zelfs een koker waarin zich de aandrijving bevind. Dit is vaak het geval bij motoren met cardanaandrijving.
Aandrijving via een as kan ook technische nadelen opleveren. Een kruiskoppeling loopt niet bij elke draaiing even soepel. Hiervoor zijn er homokineten ontwikkeld, die wel de vereiste soepelheid in de beweging hebben. Homokineten kunnen zelfs een extreme hoek aan. Daarom is het een perfecte oplossing voor voorwielaangedreven auto’s.